Fysiotherapeut Luc Schout: van brandjes blussen naar preventie

24 december 2018
Topatletiek Vorige

Het was al langere tijd de wens van de Atletiekunie om de paramedische zorg voor de topatleten te versterken. Met de komst van Luc Schout, die anderhalf jaar geleden in dienst kwam, is een belangrijke stap gezet. De oud-atleet is er voor de atleten op Papendal, maar gaat ook regelmatig mee op trainingsstages.

De 31-jarige Schout is geen onbekende in de atletiek. Hij noemt zichzelf “redelijk talentvol”: een loper die op de 1500 meter (met een p.r. van 3.44) en de cross tegen de nationale top aan zat, maar de internationale toernooien niet wist te bereiken. Hij was lid van Generaal Michaëlis in Best en later van Attila in Tilburg. ‘Ik raakte nog wel eens overtraind, achteraf gezien door ijzertekort en blessures’, zegt hij. En dat zijn nu juist de problemen die hij als fysiotherapeut, samen met coaches en andere deskundigen, bij de atleten op Papendal wil helpen voorkomen.

Atletiek is mijn sport

De keuze om fysiotherapie te gaan studeren lag voor Schout voor de hand. ‘Ik hield van sport en ik was erg geïnteresseerd in het menselijk lichaam. Nu vind ik het erg leuk om dat te combineren met de samenwerking met de coaches.’ Hij studeerde in Utrecht en volgde later een master manuele therapie in Nijmegen. ‘Die laatste opleiding gaf me de verdieping die ik zocht en ik leerde er betere technieken. Tijdens stages werkte ik al op het Sportmedisch Centrum (SMC) Papendal en daar ben ik na mijn afstuderen in 2008 blijven werken.’ Op het SMC was Schout vooral bezig met recreatieve sporters die in een revalidatieproces zaten. Sinds 2012 werd hij voor acht uur per week ingehuurd door de Atletiekunie om topsporters te behandelen. ‘Toen verschoof een deel van mijn werk van breedte- naar topsport. Ik vond het heel fijn om in de atletiek werkzaam te zijn, omdat het toch míjn sport is en omdat ik denk te weten wat er aan verzorging nodig is om hard te kunnen trainen.’

Na de Spelen van Rio vond de Atletiekunie ruimte om de fysiotherapeutische begeleiding uit te breiden voor de veertig tot vijftig atleten die op Papendal trainen. Schout kwam in dienst van de bond. Daarnaast werden twee andere fysiotherapeuten op deeltijdbasis ingehuurd bij het CTO op Papendal. Daardoor is er nu iedere dag een fysio beschikbaar, ook als Schout bijvoorbeeld mee is op stage of naar een internationaal toernooi. Ook is er iedere dag in de namiddag een sportarts beschikbaar voor atleten die acuut last krijgen van een blessure – of dat dreigen te krijgen. Voor de Atletiekunie is Petra Groeneboom de verantwoordelijk sportarts. ‘Voor mij betekende de aanstelling bij de Atletiekunie een belangrijke en door mij ook gewenste verschuiving van mijn werk’, vertelt Schout. ‘Het ging – simpel gezegd - van brandjes blussen naar het voorkomen van blessures.’

Analyseren en afwijkingen opsporen

In de dagelijkse praktijk betekent het dat Schout ’s ochtends veelal aanwezig is bij de trainingen. ‘Dan kijk ik mee met de coach en soms ook met de bewegingswetenschapper om het bewegingspatroon van de atleet te analyseren en eventuele afwijkingen op te sporen. We kijken bijvoorbeeld naar de paslengte. Beweegt iemand anders dan voor hem of haar normaal is, dan kan dat bijvoorbeeld betekenen dat een enkel of een heup vast zit. ’s Middags kunnen ze dan bij mij op de bank komen liggen en dan probeer ik om die gewrichten weer vrij te maken. Zodat ze hopelijk de volgende dag weer voluit kunnen trainen. Zo dragen we eraan bij dat ze een paar procentjes extra in de training kunnen stoppen. Dan kun je denken aan een massage, maar ook aan oefeningen die de atleten zelf kunnen doen. We beschikken hier gelukkig over alle apparatuur die we nodig hebben. En als we op stage gaan, zoals afgelopen november naar Turkije, oriënteer ik me vooraf op wat er ter plaatse voorhanden is.’

De behoefte aan een behandeling verschilt per atleet. ‘De een laat zich het liefst elke dag behandelen; een ander zie ik twee keer per week. Maar het is uiteraard ook afhankelijk van de zwaarte van een training.’ Schout roemt de samenwerking op Papendal. ‘We wisselen als begeleidende staf veel informatie uit en dat is cruciaal voor de gezondheid van de sporters. De coach heeft daarbij de leidende positie, maar ik kan zeker mijn bijdrage leveren. Bijvoorbeeld bij de vraag of een atleet fit genoeg is om een wedstrijd te gaan lopen. Bij een dreigende blessure kan ik een inschatting maken van de risico’s, maar uiteindelijk neemt de coach, in overleg met de atleet, de beslissing. Waarbij natuurlijk ook een rol speelt of het om een clubkampioenschap gaat, of om een Olympische finale.’

Valt er nog iets te wensen voor Schout?

‘Ik ben vooral bezig om mijn netwerk steeds verder uit te breiden om te kijken hoe anderen het doen. Natuurlijk moet je een goede opleiding hebben, maar dat is de basis. Het meeste wat je nodig hebt, staat niet in boeken. Je moet gewoon overal wat van meenemen en dan op basis van je eigen ervaring beoordelen wat je voor elke individuele atleet nodig hebt.’
 

Tekst: Cors van den Brink
Foto: Erik van Leeuwen (trainingsstage Sankt Moritz 2018)