Gerard van Lent: Een mens is geen machine

31 mei 2021
Atletiekfan Vorige

In deze serie interviews komen coaches aan het woord van atleten die in de afgelopen tijd bijzondere prestaties hebben geleverd. Wie is die coach en wat is zijn visie op het trainen en op het vak van de trainer? In deze aflevering ontmoeten we Gerard van Lent, de coach van Jill Holterman.

Toen de EK van 2020 werden afgelast en voor Jill Holterman een streep ging door haar plan om daar de halve marathon te lopen, verlegde ze haar ambitie naar de hele – Olympische – marathon. Coach Gerard van Lent ging mee in die verandering. ‘Ik vond het sterk dat ze die keuze durfde te maken.’

Waar de buitenwereld opkeek van de progressie van ruim zes minuten die Holterman maakte met haar eindtijd van 2.28.18, verklaarde de atlete zelf dat ze niet verbaasd was. Dat gold ook voor Van Lent. Met veertig jaar ervaring als coach weet hij meestal wel waartoe zijn atleten in staat zijn. ‘Dat lees ik af uit de trainingen. Natuurlijk spelen de weersomstandigheden een rol en een atleet moet het op de dag van de wedstrijd kunnen waarmaken. Maar aan de mogelijkheden van Jill heb ik niet getwijfeld en dat deed ze zelf ook niet. Het is mooi als een atleet dat tegenover de buitenwereld ook durft uit te stralen, want dat werkt als een spiegel en het vergroot je zelfvertrouwen.’

'Zelf ervaren waartoe ze in staat zijn'

Het is een van de kenmerken van de aanpak van Van Lent. Hij laat zijn atleten graag vooraf ervaren waartoe ze in staat zijn. ‘Als het goed is, merken ze in de voorbereiding op de marathon dat ze steeds wat sneller kunnen lopen met dezelfde hartslag. Het moet makkelijk aanvoelen omdat je, zeker in de eerste helft van die marathon, zuinig moet lopen zonder veel power te hoeven geven. Ik laat ze in trainingen graag zonder klokje lopen. Ze denken dan vaak dat ze traag zijn, terwijl het tegendeel blijkt.’

Het is een bekend misverstand, zegt Van Lent. Lopers denken dat een wedstrijd vanaf de start zwaar moet aanvoelen. Terwijl ze een marathon moeten leren indelen. Wat natuurlijk niet betekent dat de voorbereiding van een marathon altijd makkelijk aanvoelt. ‘Zeker in de laatste fase moet je accepteren dat je vaak met vermoeide benen aan een training begint. Maar ook dat is belangrijk: ervaren dat je daarmee toch goed kunt lopen.’

De brede achtergrond van Van Lent

Van Lent heeft een brede achtergrond als coach. Hij presteerde zelf op nationaal niveau op afstanden tussen de 800 meter en 42 kilometer – met de steeple als specialiteit – en koos op 23-jarige leeftijd voor de ALO-opleiding in Amsterdam. Een jaar later werd hij al gevraagd om clubtrainer te worden; eerst bij Trias in Heiloo en daarna haalde Bob Boverman hem naar AAC in Amsterdam. ‘Ik vond het prachtig om mijn fanatisme om mensen beter te laten presteren te koppelen aan de ideeën die ik opdeed uit alle literatuur waarover ik via mijn opleiding beschikte’, zo kijkt hij terug. ‘Ik gaf training aan een groep van zo’n vijftig atleten, die de nodige medailles wonnen bij NK’s.’

Na de heropening van het Olympisch Stadion in 2000 stapte hij over naar Phanos, waar hij meer ruimte zag voor de topsport-ambities van atleten. Zelf had hij de atletiek al eerder gecombineerd met de triatlon en ook in die wereld ging hij training geven. Ook werd hij bondscoach bij de Nederlandse Triatlon Bond. Langs die weg kwam hij in contact met Irma Heeren, die hem na enige aarzeling vroeg haar te gaan coachen. 

De overwinning van Irma Heeren

Het eerste opvallende succes van die samenwerking was de overwinning van Heeren in de Halve Marathon van Egmond in 1999, in wat nog altijd het parcoursrecord is: 1.10.03. Ze versloeg er onder andere Lornah Kiplagat en korte tijd later vroegen zij en haar partner Pieter Langerhorst aan Van Lent of de – toen nog – Keniaanse bij hem zou kunnen komen trainen. In de jaren erna klopten onder anderen ook Koen Raymaekers en Hugo van den Broek en diens partner Hilda Kibet bij hem op de deur. Van Lent ging op die verzoeken in, maar uiteindelijk was die individuele begeleiding van topatleten niet meer te combineren met een fulltimebaan op de ALO, zijn gezin, de eigen trainingen én de verplichtingen van een ambitieus clubtrainer. ‘Want bij Phanos had ik ook al snel weer een grote trainingsgroep en mijn uitgangspunt is: iedereen die contributie betaalt heeft recht op evenveel aandacht, ongeacht zijn of haar niveau. Dat kon ik niet meer waarmaken en daarom ben ik gestopt bij Phanos.’

Wat hij als coach niet wil: in de rol van de manager stappen

‘Ik zit in de luxe-positie dat ik als docent mijn inkomen verdien. Het zou niet goed zijn om het coachen gratis te doen. Ik vraag een onkostenvergoeding. Maar ik ben niet afhankelijk van de verdiensten van mijn atleten en laat de beslissing over de wedstrijden die ze willen lopen aan hen. Ik geef adviezen vanuit het sportieve belang voor de atleet. Die zal dat uiteindelijk moeten afwegen tegen het zakelijke. Ik vind dat wel zo zuiver. Als ze een andere keuze maken, word ik niet boos. Ik gooi niet snel de deur dicht.’

Wat hij wel graag doet: zorgen voor een prettige omgeving voor zijn atleten. ‘Tijdens een toernooi of tijdens de laatste dagen voor een wedstrijd ga ik graag op verkenning. Zijn er rustige paadjes om los te lopen, waar kun je lekkere koffie krijgen, hoe staat het met de vaak stressvolle rituelen met betrekking tot de warming-up en callroom. Ik heb enkele dagen voorafgaand aan de 10.000m finale van Hilda Kibet tijdens de EK Atletiek in Barcelona die hele poppenkast op video vastgelegd en voor Hilda afgespeeld, zodat ze er aan kon wennen. Het onbekende bekend maken. Het geeft hun rust als dit soort zaken goed zijn geregeld.’

Elkaar beter maken

Van Lent bleef wel combinaties zoeken. ‘Koen en Hugo zaten beiden vaak langere tijd in Kenia en ik liet hen van elkaar profiteren en bewust worden van hun aanvullende kwaliteiten. Waar de één structuur en discipline ademt, praktiseert de ander meer de Keniaanse benadering: ontspanning en doen wat er kan. Geen stress over zaken waar je toch geen invloed op hebt. Ik heb hen ook gevraagd naar elkaars looptechniek te kijken.

De een was een extreem voorvoet-lander, als een speedboot die altijd hoog op het water ligt, ook op kabbelsnelheid. Zonde van de energie en met onnodig blessurerisico. Als zijn schoenen versleten waren, waren de hakken nog als nieuw. De ander deed het tegenovergestelde, alsof hij wou zeggen: “ik heb voor de hele schoen betaald, ik zal hem helemaal slijten ook”. Maar op hoge snelheid blijf je dan onnodig “diep in het water liggen”. Ze deden het dus allebei goed op de snelheid waar het bij past en verkeerd op waar het niet bij past. Ze moesten elkaar gaan imiteren, om te ervaren dat je ook anders kunt lopen. Zo maakten ze elkaar beter.’

Van Lent en Holterman

Als coach moet je maatwerk leveren, vindt Van Lent. Dat betekent onder meer: rekening houden met de individuele belastbaarheid. Trainen betekent de grens opzoeken, maar die ligt bij verschillende sporters vaak elders op de dezelfde kaart. Zo ook bij Jill en haar partner Ronald Schröer. Zeker toen Jill nog full-time werkte, liepen hun trainingschema’s zo uiteen dat mensen vroegen “maar jullie hebben toch dezelfde trainer?”. 

Ook bij Holterman moest Van Lent werken aan de looptechniek. ‘Ze hield haar voeten tijdens de zwaaifase in een soort spitshouding, zoals je een turnster vaak ziet doen. Waar de turnster er extra punten mee schijnt te verdienen, ging het bij Jill ten koste van ontspanning en doorbloeding in de herstelfase van haar looppas. We hebben veel gefilmd om dat te analyseren. En we hebben allerlei schoenen getest om te beoordelen wat voor haar het beste is.’ 

'Sterke en spannende beslissing'

Van Lent schetst zijn Olympisch atlete als een auto met de motor voor de lange afstand, maar met een kwetsbare carrosserie. ‘Dat is de grootste uitdaging: hoe trainen we voor de tweede helft van de marathon, waarbij de omvang moet toenemen. Dat doen we door blokken in te bouwen met een wat lagere intensiteit dan op marathon-tempo, maar wel boven het duurloop-tempo. Je doet dus een concessie aan de specifieke marathontempo’s. Maar ze is wel steeds sneller gaan lopen bij dezelfde hartslag. En door steeds kleine pauzes in te bouwen tussen de tempo-blokken spaar je het bewegingsapparaat. Dat heeft voor de marathon van Enschede goed gewerkt.’

De beslissing om haar debuut op de 42km te vervroegen, die mogelijk werd toen de Spelen van Tokyo een jaar werden uitgesteld, noemt hij ‘sterk én spannend’, ook omdat ze haar baan als advocaat ervoor op wilde geven. Aanvankelijk zou ze die overstap van de halve naar de hele marathon maken met het oog op de Spelen van 2024.

‘Ik heb het wel aangemoedigd, omdat ik uit de trainingen kon afleiden dat het doel realistisch was. Maar ik weet ook dat ze een “vrouw van glas” is, bij wie ik heel goed naar de belastbaarheid moet kijken. Tegen de ene atleet kun je zeggen dat-ie door de pijn heen mag lopen, bij haar ben je eigenlijk al te laat als ze een pijntje voelt. Ze heeft een coach nodig die steeds bereid is om het programma levend te houden, door de planning altijd af te stemmen op de stand van de lichamelijke barometer. Ik zet wel een structuur uit, maar die is dynamisch. Een mens is geen machine.’


Tekst: Cors van den Brink
Foto header: Cors van den Brink
Foto's artikel: Global Sports Communication / NN Mission Marathon '21