Guido Bonsen en de omgekeerde inclusiviteit

01 juli 2021
Atletiekfan Vorige

In deze serie interviews komen coaches aan het woord van atleten die de afgelopen tijd bijzondere prestaties hebben geleverd. Wie is die coach en wat is zijn visie op het trainen en op het vak van de trainer? In deze aflevering ontmoeten we Guido Bonsen. 

Met Team Para Atletiek bewandelen coach Guido Bonsen en de mede-oprichters Fleur Jong en Marlène van Gansewinkel de omgekeerde weg. Het zijn niet de sporters met een handicap die zich aansluiten bij andere atleten. De para-atleten zetten de deur open voor topatleten die géén gebruik hoeven te maken van blades en andere hulpmiddelen. Wat betekent die samenvoeging voor het coachen?

De 51-jarige Bonsen heeft ervaring in beide werelden. Hij was de trainer van meerkampster Jolanda Keizer, die in 2008 negende werd op de Spelen van Beijing. En hij was daarna jarenlang coach van de paralympische selectie op Papendal. In 2017 nam hij afscheid van de Atletiekunie, nadat zijn contract niet werd verlengd.

‘Ik overwoog als planoloog werk te zoeken in de sector ruimtelijke ordening. Maar Fleur Jong en Marlène van Gansewinkel vroegen me om hen te blijven trainen. Dat heeft geleid tot het oprichten van een stichting en het geleidelijk uitbreiden van het atletenteam tot de groep van tien sporters’, zo vertelt hij aan de rand van de atletiekbaan op het Friendship Sport Centre in Amsterdam-Noord. Op die locatie heeft ook Frank Jol zijn domicilie gekozen. Hij begeleidt veel para-atleten bij hun keuze voor en afstelling van de juiste blades. Bonsen en zijn team trainen ook regelmatig in het Olympisch Stadion waar ze gebruik kunnen maken van de faciliteiten van Phanos.

Het team is succesvol. Zes para-atleten wonnen bij de laatste EK medailles en zij bereiden zich momenteel voor op de Paralympische Spelen in Tokyo. Verspringster Tara Yoro en de sprinters Elvis Afrifa en Bowien Jansen, die zich in de afgelopen jaren aansloten bij Bonsen c.s., behoren tot de top van de Nederlandse ranglijst op hun onderdelen. ‘Maar het gaat ons om meer dan medailles’, zegt Bonsen. ‘We willen nadrukkelijk een bron van inspiratie zijn voor andere atleten. Fleur en Marlène willen daarom graag hun verhaal vertellen als ze daarvoor de gelegenheid krijgen. Al blijven ze uiteraard bovenal topsporters.’

Wat kenmerkt de aanpak van Bonsen?

‘Mijn uitgangspunt is dat het vier tot vijf jaar duurt om een atleet te “bouwen”. Dan gaat het niet alleen om de fysieke ontwikkeling, maar ook om de mentale kracht die je nodig hebt om topsporter te worden. Fleur en Marlène zijn in de afgelopen tien jaar niet alleen een sterkere atleet geworden, maar ook een meer ervaren mens. Daar kunnen anderen van profiteren, omdat ze zien hoe serieus zij bezig zijn met alles wat nodig is om topprestaties te leveren.’

‘Wat mij ook kenmerkt is dat ik niet snel geneigd ben om afscheid te nemen van atleten als progressie uitblijft of als blessures roet in het eten gooien. Als ik als coach geloof in je heb, kun je wat mij betreft vijf jaar bij me blijven trainen tot eruit komt wat er volgens ons beiden in zit.’

Bonsen staat dicht bij zijn atleten, zegt hij. ‘Ik weet veel van mijn atleten en ze mogen ook veel van mij weten. Als er privé iets speelt waardoor ik verdrietig of boos ben, dan deel ik dat. Groepsdynamiek is belangrijk. Die manier van werken past niet bij iedereen. Je moet je binnen ons team op je plaats voelen, als atleet en als mens. Ik heb sinds kort een assistent-coach, oud-meerkampster Deborah den Boer, die – zo hoop en verwacht ik althans – complementair is aan de persoon en de coach die ik ben.’

‘Dat ik dichtbij atleten sta, tast mijn autoriteit niet aan, vind ik. Die staat niet ter discussie. Ik vind dat ik mezelf als coach al wel bewezen heb. Natuurlijk hebben atleten hun inbreng als het om het trainingsprogramma gaat, het gaat tenslotte om hún carrière. Maar zo nodig zoek ik de confrontatie wel op. Dat heeft ermee te maken dat ik het niet alleen als een eer zie om hun coach te mogen zijn, maar ook als een grote verantwoordelijkheid. Ik moet zien dat ik hen scherp hou, want daar hebben ze mij de opdracht voor gegeven. Als me dat niet zou lukken, moet ik mijn aanpak bijstellen.’

Lang en veel trainen

‘Consumenten passen niet in ons team. In het verleden heb ik wel eens gesteld dat de coaches de gevers zijn en sporters de nemers. Maar daar ben ik van terug gekomen. Het gaat om een gezamenlijk proces en als ik het daarin niet naar mijn zin heb, is het snel over. Omgekeerd houd ik hen voor: als je twijfelt aan mijn aanpak, kun je beter op zoek gaan naar een ander.’

‘Ik hou van lang en veel trainen’, zegt Bonsen. Dat betekent in de praktijk zo’n vijf uur per dag, verdeeld over twee sessies, en dat dan zes keer per week. ‘Iedere dag staat er één belastende training op het programma en een training die vooral als ondersteuning dient. En uiteraard moet je die harde trainingen geleidelijk opvoeren. Ik maak voor iedere atleet een schema, deels gerelateerd aan de handicap. Wat ze samen kunnen doen, doen ze samen. En hoe hoger het niveau ligt, hoe specifieker de opdrachten zijn. Marlène en Fleur trainen bijvoorbeeld heel anders, maar uiteindelijk komen ze in een EK-finale op de 100 meter op een paar honderdsten na elkaar over de finish.’

Dat het duo veel samen optrekt, maar nu elkaars grootste concurrenten zijn, noemt Bonsen “pikant”. ‘Ze hebben onlangs zelf besloten dat ze tijdens de grote toernooien geen kamergenoten meer moeten zijn. Daar heb ik zelf niets over hoeven zeggen.’

Coaches van paralympische atleten krijgen altijd ook te maken met de techniek van de blades. ‘Over de kokers waarmee de blade aan de stomp wordt bevestigd, weet ik niets. Dat is het werk van Frank Jol. Maar over de keuze van de juiste blades en de afstelling ervan denk ik wel mee. Dat is nodig, omdat je het materiaal én de afstelling moet aanpassen als door de training het niveau van de atleet verandert en de blades door slijtage ook anders kunnen reageren. We hebben inmiddels schema’s opgesteld voor het wisselen van blades. Maar eigenlijk zouden we meer data moeten kunnen verzamelen, ook tijdens de races zelf, om te achterhalen wat de meest ideale combinatie is van type blade en afstelling.’

‘Wat je als coach ook moet doen is het volgen van veranderingen in de internationale regelgeving. We wisten bijvoorbeeld dat na de Spelen van Rio in 2016 de lengte van de blades aangepast zou worden aan de potentiële lengte van de atleet. De metingen daarvoor hebben we in 2015 al laten doen, zodat we ná Rio meteen met het nieuwe materiaal zijn gaan trainen en we goed voorbereid zijn op Tokyo.’

 

Tekst en foto's: Cors van den Brink