Ingmar Vos naar Papendal: de kans kwam eerder dan verwacht

26 oktober 2021
Topatletiek Vorige

In deze serie interviews komen coaches aan het woord: wie is die coach en wat is zijn visie op het trainen en op het vak van de trainer? Onlangs spraken we met Ingmar Vos. 

Ruim vier jaar geleden besloot Ingmar Vos zijn eigen topsportcarrière te beëindigen. Sindsdien was hij onder meer als coach actief voor het Rotterdamse PAC. Tot de Atletiekunie hem vroeg om op Papendal een groep meerkampers onder zijn hoede te nemen.

‘Het was altijd al mijn wens om met de beste atleten van Nederland te kunnen werken, maar de kans kwam eerder dan ik had verwacht’, zegt Vos, die begin september aan de slag ging op het Nationaal Sportcentrum. Vijf-en-een-halve dag per week trekt hij er met zijn trainingsgroep van de ene naar de andere locatie: de sprinthal, het krachthonk, de werphal – en zolang het weer het nog toelaat de atletiekbaan buiten.

Ongekende mogelijkheden voor atleten

Dat alle faciliteiten hier bij elkaar zijn gebracht en de atleten dagelijks gebruik kunnen maken van de fysiotherapeut of een sportarts kunnen raadplegen: het zijn voor de oud-atleet Vos ongekende mogelijkheden. Althans: in Nederland heeft hij die luxe niet gekend in de ruim tien jaar dat hij zelf op het hoogste niveau presteerde – met 6020 punten op de zevenkamp (2011, het jaar waarin hij vijfde werd bij de EK indoor) en 8224 op de tienkamp (2012) als p.r.’s.

Het einde van die carrière werd getekend door een strijd tegen blessures. De Spelen van Rio in 2016 en de WK in Londen van een jaar later bleken niet haalbaar. ‘Ik raakte mijn A-status kwijt, het geld raakte op, ik besloot te stoppen’, zo kijkt hij terug. Maar in de jaren als actief atleet verzamelde hij wel een vracht aan kennis en ervaring. Vos besloot in 2009 in Birmingham te gaan trainen en werkte daar en in Loughbourough met enkele Britse trainers. Aan de andere kant van de Noordzee stond onder anderen Lieven van Mechelen hem terzijde en was Maarten Klaver de coördinator van het trainingsprogramma en de man die hem bij wedstrijden begeleidde. ‘Er wordt in de aanloop naar de Spelen van Londen kneiterhard getraind in Groot-Brittannië’, vertelde Vos in die tijd.

Het nadeel van zijn keuze: Vos moest veel trainingen alleen afwerken. In 2013 ging hij daarom op zoek naar andere omstandigheden. Dat leidde tot een jarenlange samenwerking met zijn Amerikaanse collega-tienkamper Trey Hardee en diens coach Mario Sategna, die in Texas trainden. ‘Veel omvang, best pittig’, meldde hij in die tijd.

Ik kon de kans niet voorbij laten gaan

Vos, die afgestudeerd is aan het CIOS en de Haagse ALO – nam vanaf 2017 een groep meerkampers bij zijn eigen vereniging PAC onder zijn hoede, met onder anderen Sybren Blok, Anne van der Wiel, Myke van der Wiel, Joyce van Wely en Melissa de Haan. Hij begeleidde regelmatig ook enkele speerwerpers. Die ontluikende trainerscarrière sprong bij de technische staf van de Atletiekunie in het oog. Vos werd eerst gevraagd voor een serie centrale trainingen voor talentvolle meerkampers op Papendal en vervolgens werd hij uitgenodigd om als assistent-coach mee te gaan op een trainingsstage naar Turkije. Daarna kwam het verzoek om voor de Atletiekunie te komen werken, als collega van Ronald Vetter.

‘Toen ik aankondigde dat ik naar Papendal zou gaan, had ik vijf huilende atleten in de Rotterdamse kleedkamer’, vertelt hij. Maar de kans op een fulltime baan als coach wilde en kon hij niet voorbij laten gaan. ‘Bij een vereniging is het toch vaak: twintig uur op de baan staan en tien uur betaald krijgen. Al kwam de kans eerder dan ik had verwacht.’

Zijn trainingsgroep bestaat vooralsnog uit de ervaren Pieter Braun en vier jongeren: Sven Roosen, Sven Jansons, Rik Taam en de revaliderende Rafael Raap.

Goed voor elkaar zorgen

Hij kent als meerkamper het werken met verschillende coaches én het werken met één hoofdcoach voor alle onderdelen. ‘Het is goed als je als atleet meerdere invalshoeken leert kennen, maar het belangrijkste is dat er vanuit één visie wordt gewerkt’, zegt hij. ‘Zo werken we hier op Papendal ook. Als ik even niet zie hoe ik een atleet verder kan helpen, kan ik er een collega bij roepen, zoals Gert Damkat voor het werpen of Robbert-Jan Jansen voor het polshoog.’ ‘Bij een vereniging is dat veel moeilijker te organiseren, omdat iedere trainer zijn vaste tijden heeft. Hier is de samenwerking anders georganiseerd. In principe werkt Ronald Vetter met de vrouwen en Robbert-Jan begeleidt de polsstokhoogspringers en Nadine Broersen. Maar we moeten het naadloos van elkaar kunnen overnemen, bij vakanties of andere omstandigheden.’

En wordt er onder Vos op Papendal nu net zo “kneiterhard” getraind als hij zelf in Groot-Brittannië en de VS deed?

‘Meerkampers moeten breed belastbaar zijn. De fundering moet altijd breder zijn dan het huis zelf. In de winter moet je die belastbaarheid afstemmen op wat er in de zomer gevraagd wordt. Dat betekent: hard werken, lange dagen maken en de kantjes er niet aflopen. Het is een beetje wennen voor mijn atleten’, zegt Vos met een glimlach.

‘Ik kan best wel intensief overkomen’, weet hij van zichzelf. ‘Ik ben enthousiast, maar ik kan ook fanatiek of streng zijn, omdat ik wil proberen om het maximale eruit te halen. Zo deed ik dat zelf en zo doe ik dat ook als coach. Maar ik zorg ook goed voor mijn atleten. Bij PAC bracht ik atleten na de training wel eens naar de metro als ze erg moe waren, terwijl andere trainers dat raar vonden. Hier zie ik er op toe dat ze goed eten en op tijd naar de fysio gaan. Dat hoort erbij, vind ik. We trainen pittig. maar dat kan alleen als je goed voor je atleten zorgt en veel van hen weet.’


Tekst: Cors van den Brink
Foto header: Ingmar Vos in actie op de CTS Talentendag (Lars van Hoeven, 2021)