Karin Ruckstuhl: Ik was te bescheiden voor mezelf

06 augustus 2019
Atletiekfan Vorige

Wie alles uit zijn of haar sportcarrière wil halen, moet kiezen. Soms vallen die keuzes goed uit, andere beslissingen helpen je niet - ook al lijken ze zo voor de hand te liggen. In een reeks interviews met oud-toppers vragen we hen om te vertellen over hún keuzes, omdat de talenten van nu daar wellicht hun voordeel mee kunnen doen. Dit keer: Karin Ruckstuhl.

Ze heeft zich grotendeels teruggetrokken uit de sport en is momenteel een groot deel van de tijd niet in Nederland. Meerkampster Karin Ruckstuhl woont met haar man Chiel Warners en twee dochters van vijf en drie jaar voor twee jaar in Luxemburg. Ze komt wel regelmatig naar Nederland, waar ze als onderzoeker voor Shell werkt. ‘In de sport ben ik alleen nog actief binnen Sporttop, de organisatie van Jochem Uytdehaage waarin ervaren sporters jonge talenten als een soort mentor begeleiden’, zegt ze. Zelf werkt ze met wielrenster Fleur Nagengast. Ze vindt het ook een leuke uitdaging om leerpunten uit haar eigen atletiekcarrière in deze rubriek over het voetlicht te brengen, zegt ze.

"Ik bleef studie en topsport altijd combineren"

‘Mijn belangrijkste keuze is geweest dat ik mijn sport- en mijn academische carrière altijd naast elkaar heb laten staan. Voor anderen ligt dat misschien niet zo, maar ik wilde niet helemaal de sport binnen gezogen worden. Ik was bang dat ik dan oogkleppen op zou krijgen. Gelukkig waren mijn coach in die tijd, Ronald Vetter, en Peter Verlooy, bij wie ik eerder getraind had en die toen technisch directeur van de Atletiekunie was, het met me eens. En ik kreeg binnen mijn studie alle ruimte voor trainingsstages en toernooien, als dat nodig was.’

Ruckstuhl studeerde geo-fysica, deed in 2004 haar master en besloot om aansluitend te gaan promoveren. Dat deed ze uiteindelijk in 2011. ‘Daaruit blijkt wel dat ik mijn promotie heb uitgesmeerd over heel wat jaren, maar ik bleef altijd studie en sport combineren. Zeker in de tijd dat ik geblesseerd was, vond ik het heel prettig en ook goed voor mijn eigenwaarde dat ik me op die studie kon richten. Ik ben nooit in een zwart gat terecht gekomen en ik heb er een heel interessante baan aan overgehouden. Een atlete als Tia Hellebaut, met wie ik veel contact had, maakte een andere keuze. Ik begreep haar wel, maar ik ben gewoon te nieuwsgierig. Al moet ik wel zeggen dat ik een kleiner netwerk had dan andere studenten, omdat ik weinig tijd over had. Gelukkig lagen de campus in Utrecht en de atletiekbaan van Hellas, waar ik aanvankelijk veel trainde, dicht bij elkaar. Veel tijd voor het sociale leven van studenten had ik echter niet.’

"Op Papendal kwam alles bij elkaar" 

Een tweede positieve keuze was de verhuizing naar Papendal. In 2006 kregen Ruckstuhl, Rutger Smith en Bram Som als eerste Nederlandse topatleten de kans om op het nationaal sportcentrum wonen, eten, slapen en trainen te combineren. Die groep is daarna in rap tempo uitgebreid. Ruckstuhl had in de jaren vóór Papendal Peter Verlooy als hoofdcoach, maar werkte ook met “specialisten” als Ronald Vetter voor het werpen, Ineke Bonsen voor het hordenlopen, Riny van Leeuwen voor het hoog- en Peter van Wijk voor het verspringen. ‘Dat betekende onder meer dat ik veel moest reizen: Amsterdam, Zoetermeer, Vught. Op Papendal kwam alles bij elkaar, dat gaf rust. Daar werd Ronald mijn hoofdcoach. Met hem had ik van meet af aan een heel goede klik. En sportarts Peter Vergouwen zat vlak in de buurt.’ Met de naam van Vergouwen komen ook de beelden naar boven van de blessures. Ruckstuhl had onder meer problemen met een enkel en met haar rug. Ze miste daardoor onder meer de Spelen van Beijing in 2008.

‘Een van mijn verkeerde eigenschappen was dat ik te ongeduldig ben na een blessure. Ik wachtte de revalidatie onvoldoende af, ik was te gretig, omdat ik sport nu eenmaal zó leuk vind. Ik was na een gedwongen rustperiode vaak ook heel snel weer in vorm, maar dan deed ik té vroeg toch te veel. Ik had ook meer tijd moeten nemen voor de kleinere blessures, die je als topsporter altijd wel hebt. Maar je wilt geen toernooi missen en de meerkamp van Götzis een keer overslaan, deed je ook liever niet. Maar ik had die eerste signalen uit mijn rug serieuzer moeten nemen.’ Ze ging ook wat anders trainen. ‘Vetter vond dat ik te ielig was. Hij heeft me in de loop van 2006 en 2007 sterker gemaakt en me leren sprinten. Dat was nodig, het heeft me topprestaties opgeleverd, maar dat heeft ook minder positieve gevolgen gehad. Iedere atleet – en ieder mens – reageert anders op trainingen. We hebben beiden veel geleerd van die hele ontwikkeling. Ieder lichaam is tenslotte anders. Peter Vergouwen heeft een tijd geleden mijn rug als voorbeeld gebruikt in een lezing op een sportmedisch congres.’

"Ik had wel wat brutaler kunnen zijn" 

Terugkijkend concludeert Ruckstuhl ook dat ze wellicht wat te bescheiden is geweest voor zichzelf. ‘Ik heb de lat niet altijd hoog genoeg gelegd. Ik had wat brutaler kunnen zijn. Dan was ik waarschijnlijk ook wat strenger geweest en had ik me meer opofferingen getroost. Ik zag mezelf nooit als een mogelijk Olympisch kampioene, zoals Tia dat bijvoorbeeld wel had. Zij was ook strenger op het gebied van voeding. Ik wilde wel altijd het beste uit mezelf halen, maar ik was minder bezig met mijn prestaties ten opzichte van anderen.’ Die instelling bracht haar ook tot het besluit om na een hernia-operatie in 2008 terug te willen keren in de meerkamp. ‘Ik had het gevoel dat ik er nog niet klaar mee was. Dat het me niet is gelukt na 2007 nog een meerkamp af te ronden, betekent niet dat 2009 en 2010 verloren jaren zijn geweest. “Follow your heart”, vind ik. Pas toen ik een achillespeesblessure kreeg en de rug weer opspeelde, kon ik de beslissing nemen om te stoppen. Bewegen is mijn hobby geworden: power-yoga, trailrunning, tour-skiën. Vooral die power-yoga kan ik iedereen aanbevelen; veel beter dan core-stability.’

Over Karin Ruckstuhl

Karin Ruckstuhl (Baden, Zwitserland, 1980) behoorde tussen 2003 en 2007 tot de internationale top op de zeven- en de vijfkamp. Met puntentotalen van 6423 en 4801 (beide in 2006 gescoord) was ze Nederlands recordhouder. In datzelfde jaar won ze zilver bij de WK indoor en bij de EK. Een jaar later won ze brons bij de EK indoor. Ze was ook nationaal recordhoudster hoogspringen (1,88) en is dat nog steeds bij het hinkstapspringen (12,90) – beide indoor. 

Tekst: Cors van den Brink
Foto: Erik van Leeuwen (NK Indoor Meerkamp 2010)