Laurent Meuwly durft successen aan te kondigen

01 maart 2021
Topatletiek Vorige

Bijna twee jaar geleden kwam de Zwitser Laurent Meuwly (1974) in dienst van de Atletiekunie om op de 400m en 400m horden de kloof te dichten tussen de Nederlandse en internationale top. Eind deze week treden twee estafetteteams op de 4x400m aan bij de EK indoor en behoren enkele van zijn atleten tot de medaillekandidaten.

Wie is deze coach en wat is zijn manier van werken?

Hij was pas achttien jaar toen hij bij zijn eigen atletiekvereniging training begon te geven aan jonge atleten; eerst eens per week en al snel veel frequenter. ‘Ik was zelf tienkamper, maar niet op een al te hoog niveau en ik had veel last van blessures. Na vier jaar stopte ik zelf als atleet. Ik besloot dat ik de beste coach ter wereld wilde worden’, zo zegt hij met een grijns. Zijn motivatie? ‘Andere atleten helpen het beste uit zichzelf te halen, op welk niveau ook. En hen niet de fouten te laten maken die ik zelf heb gemaakt.’

Meuwly volgde allerlei cursussen en opleidingen en keek in het buitenland hoe de meest succesvolle trainers te werk gaan. Na acht jaar was hij met een van zijn atleten bij de Olympische Spelen; dat was in 2000 in Sydney. Hij kreeg een parttime aanstelling bij de Zwitserse bond, maar trok zich later echter een paar jaar helemaal terug uit de atletiek voor een managementfunctie bij een grote Zwitserse basketbalclub. Maar Meuwly keerde in 2007 weer terug bij de bond en werd daarnaast de privécoach van enkele topatleten, van wie Lea Sprunger de succesvolste is. Onder zijn begeleiding ontwikkelde ze zich van meerkampster tot topatlete op de 400m en 400m horden.

"Ik was onder de indruk van Papendal en zag de potentie van de atleten"

Nadat Sprunger bij de EK in Berlijn in de zomer van 2018 goud won op de 400mH nodigde de Atletiekunie Meuwly uit om in het najaar een paar dagen naar Papendal te komen en zijn kennis te delen met de Nederlandse coaches en atleten. Dat leidde eind dat jaar tot het verzoek om op Papendal te komen werken om de Nederlanders op internationaal niveau te brengen.

‘Ik was onder de indruk van de faciliteiten op Papendal en van de wetenschappelijke en medische ondersteuning die atleten hier kunnen krijgen. Ik zag ook wat de potentie was van enkele atleten. Ik kon bovendien enkele van mijn eigen atleten meenemen – die zijn gemiddeld drie weken per maand hier. En na twee jaar kan ik zeggen dat ik het heel prettig vind om hier te wonen’, zegt Meuwly.

Een groot verschil met Zwitserland is dat er daar geen nationaal trainingscentrum is en alles regionaal wordt aangeboden. ‘Dat betekende dat ik altijd op pad was langs de verschillende regionale centra. Wij missen ook een goede aanpak bij de jonge talenten, waardoor ze vaak de overstap naar de seniorentijd niet kunnen maken. We hebben misschien betere junioren dan Nederland; ze hebben wel dromen, maar er zijn geen programma’s en high potentials hebben dat nodig om verder te komen.’

De kloof met de wereldtop dichten

Meuwly kreeg bij zijn aanstelling de opdracht mee om de kloof van Nederland met de wereldtop te dichten op de 400m en 400mH, ook op de estafettenummers. Wat was daar voor nodig?

‘In de eerste plaats: snelle successen. In de atletiek is het gebruikelijk te denken in periodes van vier jaar: van de ene Olympische Spelen naar de volgende. Ik denk dat het voor de motivatie van jonge atleten belangrijk is om veel sneller het perspectief te zien van een nieuwe aanpak. Dat is gelukt: ik heb hier nu een groep van twaalf atleten en we gaan met kanshebbers en estafetteteams naar de EK.’ ‘Zeker in deze corona-tijd is dat perspectief noodzakelijk. Worden de Spelen uitgesteld? Dan wil ik als coach atleten meteen alternatieve doelen kunnen aanreiken: met een uitdagende trainingsstage en met andere wedstrijden. Iedere training brengt je dichter bij de top. Gebruik deze tijd, zo hield ik hen voor.’

‘Dat is goed gelukt, als je kijkt naar de successen bij de Diamond League-wedstrijden van afgelopen zomer en in het huidige indoorseizoen. Al moet ik zeggen dat het voor de oudere atleten lastiger is; voor hen zijn de grote toernooien hun échte motivatie om door te gaan.’

Wat is de specifieke aanpak van Meuwly voor de 400 meter?

‘Veel coaches zien die 400 meter als een verlengde sprint. Ze trainen hun atleten voor de 100 en 200 meter en kijken dan of ze ook een 400 meter kunnen lopen. Amerikaanse en Jamaicaanse atleten hebben daar de genen voor die wij veelal missen. Daarom ben ik veel meer met het duurvermogen van mijn atleten bezig. Niet omdat ze ook een 800 meter moeten kunnen lopen, maar omdat het duurvermogen hen helpt om de harde trainingen voor de 400 meter goed aan te kunnen.’

‘In de voorbereidingsfase is het bijvoorbeeld niet vreemd als mijn atleten per week drie trainingen krijgen waarin ze acht tot tien kilometer lopen – uiteraard verdeeld over kortere afstanden en inclusief het in- en uitlopen. Maar in het trainingsprogramma zit wel het gehele jaar door ook het snellere werk. Dat moet je er, volgens mij, steeds inhouden.’

Een ander kenmerk van Meuwly’s aanpak is dat hij frank en vrij durft te voorspellen wat zijn atleten kunnen bereiken. ‘Niets is zo saai als atleten en coaches die tegen de pers zeggen: “We gaan ons best doen en we zullen wel zien wat het wordt”. Dat is niet nodig, want als coach weet je waartoe je atleten in staat zijn. De records die Femke Bol en Lieke Klaver nu lopen, zijn geen verrassing. Dat houd ik hen voor en dat vertel ik ook anderen. Wees transparant, communiceer helder en open. Daarmee leg ik geen druk op, maar geef ik hun vertrouwen in hun mogelijkheden. Volgens mij werkt dat motiverend.’

Nu de EK indoor en dan voorbereiden op de Spelen. Voor een tweede afgelasting is Meuwly niet bang. ‘De sportwereld heeft intussen voldoende ervaring opgedaan met grote toernooien om het in Tokyo veilig te organiseren’, zo verwacht hij.
 

Tekst: Cors van den Brink
Foto's: Cors van den Brink & Lars van Hoeven