Richard Cote: ‘polsstokhoogspringen is turnen met een bewegend toestel’

20 september 2017
Topatletiek Vorige

Zelf kwam hij in 1993 tot een persoonlijk record van 5,25 meter. Zijn pupil Menno Vloon verbeterde op 10 juni van dit jaar het Nederlands record hoogspringen tot 5,85. Richard Coté (46) vertelt over de eigenschappen én de trainingen van atleten in hun discipline. ‘Je moet er een beetje gek voor zijn.’

Hij is geen bondscoach en sinds enkele jaren ook geen clubtrainer meer. Maar Coté doet nog altijd wat hij als zijn opdracht en passie beleeft. ‘Ik wil jonge sporters graag helpen om hun grenzen te verleggen, zodat ze prestaties leveren die ze zelf aanvankelijk niet voor mogelijk hielden.’ En of het doel dan deelname aan een NK is of kwalificatie voor een WK of de Spelen, dat maakt hem eigenlijk niet zoveel uit. ‘Maar ik heb wel ervaren dat het lastig is om atleten van heel verschillend niveau tegelijkertijd te begeleiden. Daarom heb ik mijn werk als coach bij Lycurgus in Krommenie twee jaar geleden opgezegd en werk ik alleen nog met Menno. Ik moet kiezen, want ik heb een gezin én ik heb een fulltime baan want als atletiektrainer kun je geen droog brood verdienen’, zegt hij.

Net als zijn huidige pupil begon Coté relatief laat met atletiek. ‘Ik was zeventien en bij mijn eerste training met een groepje polsstokhoogspringers kwam ik al tot 2,50 meter. Toen mocht ik blijven’, grijnst hij. Nog geen tien jaar later nam hij afscheid als actief atleet. ‘Ik kon in Duitsland een baan krijgen als fysiotherapeut en besloot daarom te stoppen. Maar ik had intussen al wel training aan de jeugd gegeven en toen ik twee jaar later terug kwam in Nederland ben ik de trainer-coach B-opleiding gaan doen. ‘Ik had zelf veel praktische ervaring met het polsstokhoogspringen en ook al eens bij een Poolse topcoach in Bydgoszcz kunnen trainen. Nu wilde ik daar graag de theoretische kennis aan toevoegen.’ Bijna twintig jaar was hij clubtrainer bij Lycurgus, voor diverse disciplines. Met Vloon specialiseert hij zich weer op zijn eigen onderdeel, ook al is voor het polsstokhoogspringen het trainingsprogramma heel divers, zoals uit zijn verhaal zal blijken.

Want wat maakt een sporter tot een goede polsstokhoogspringer?

‘Het zijn atleten met een grote turnvaardigheid die goed overweg kunnen met een, zoals ik dat noem, “bewegend toestel”, wat de polsstok feitelijk is’, zegt Coté. ‘Menno heeft beide sporten zelfs lange tijd gecombineerd – tot bleek dat hij in atletiek verder kon komen. Daarnaast hebben polsstokhoogspringers het loopvermogen van een 200-meterloper nodig en de sprongkracht van een verspringer. En ze moeten een beetje gek zijn, want wie gaat er nu ondersteboven aan een stok hangen, op meer dan vijf meter hoogte. Dat vergt veel mentale kracht en durf, want het blijft altijd gevaarlijk. Dat zie je maar aan Menno, die bij de WK tegen de paal botste en geblesseerd raakte.’ De voorbereidende trainingen kunnen volgens Coté al wel beginnen bij A- en B-pupillen. Niet dat die kinderen meteen over een lat moeten springen. ‘Maar geef ze een houten “bezemsteel” van twee of tweeënhalve meter en laat ze daarmee verspringen. Dan leren ze al met zo’n stok te lopen en die goed te planten - en ze oefenen het springen. En je kunt allerlei gymvaardigheden leren: de koprol voor- en achterover, verschillende vormen van de handstand, zwaaien aan het touw en oefeningen aan de rekstok en de ringen. Menno traint nog altijd regelmatig in een turnzaal, ook om zijn schouders goed en krachtig te ontwikkelen, want die heb je als polsstokhoogspringer hard nodig.’

Van timmerman tot fulltime atleet

De 23-jarige Vloon verruilde begin 2016 zijn baan als timmerman grotendeels voor een bestaan als fulltime atleet. Zijn trainingsweek laat een gevarieerd programma zien. Op maandagochtend doet hij een looptraining (bijvoorbeeld 8 x 100 of 8 x 200 meter). ’s Avonds traint hij in de turnzaal. Op dinsdag doet hij ’s ochtends een krachttraining en ’s avonds een serie oefeningen die zijn fysiotherapeut hem voorschrijft en die vooral bedoeld zijn als blessurepreventie. Pas op woensdag staat de eerste techniektraining mét de  op het programma. Vloon doet die vaak bij Coté’s collega-coach Jaap van der Plaat in Zoetermeer. Op de donderdag is er weer een combinatie van krachttraining en fysio-programma. Op vrijdag doet Vloon een looptraining met de stok – maar zonder te springen. Na een rustdag op zaterdag heeft hij zondags een tweede techniektraining met sprongen. ‘De afgelopen jaren hebben we dit programma gevolgd, omdat Menno nog volop bezig was om zich fysiek te ontwikkelen. Komend jaar gaan we waarschijnlijk ook op vrijdag springen. We willen graag dat hij stabieler gaat presteren. Die recordsprong was dit seizoen echt een uitschieter en die bracht hem hoog op de internationale ranglijst. Maar om echt tot de wereldtop te behoren moet hij dit vaker laten zien.’

Daarvoor zal hij ook zijn aanloop moeten verlengen. ‘Menno is geel goed bij een aanloop van acht of twaalf passen. Maar hij kan zijn snelheid pas optimaal benutten als hij 16 passen maakt, zoals bij het record. De wereldtop gebruikt nog twee of vier passen extra. Maar je moet met die hogere snelheid wel netjes blijven springen en controle houden over je bewegingen. Daar gaan we aan werken.’

Prestaties van polsstokhoogspringers lijken vaak afhankelijk van heel kleine factoren

‘Dat klopt wel’, zegt Coté. ‘Als je net iets minder fit bent of een stok kiest die net te soepel of te stug is voor wat je op dat moment aan kan, zal een sprong helemaal mislukken. Bij een soepele stok kun je de lat er al bij het stijgen afstoten. Bij een te stugge stok zie je vaak dat de atleet de hoogte wel haalt, maar niet óver de lat komt. Zeker als je – bij sprongen boven de vijf meter – flink boven de hoogte komt waarop je de stok vastgrijpt, luistert het allemaal heel nauw. Bovendien kun je het visueel dan minder goed controleren. Dan moet je echt op je techniek durven te vertrouwen.’

Daar gaan Coté en Vloon de komende tijd dus hard aan werken. Met als eerste grote doel de WK indoor in Birmingham in maart 2018 en in de zomer de EK in Berlijn.

 

Tekst: Cors van den Brink
Foto's: Erik van Leeuwen (EK Landenteams Lille, 2017)

 

WK