Talenten trainen op het scherpst van de snede

21 september 2018
Talentontwikkeling Vorige

Zes jaar geleden zag het Atletiek Trainingscentrum Rotterdam (ATR) het levenslicht met doel talentvolle atleten in de regio Rotterdam te ondersteunen door hen extra trainingsfaciliteiten aan te bieden. Nu trainen er 110 atleten bij het ATR. Junioren vanaf 13 jaar zijn welkom als zij in staat zijn naast hun programma bij de eigen vereniging twee of meer trainingen bij ATR te volgen. Vanaf 19 jaar kunnen de talenten kiezen voor een voltijdprogramma.

Trainers Marjan Olyslager, Brendan Troost en Niels Bakker nemen de disciplines sprinten, werpen, hordelopen voor hun rekening en er is ook een groep “explosief”: een combinatie van voorgaande disciplines en springen. Ze trainen in totaal zo’n 60 jonge atleten. De MiLa–atleten worden onder handen genomen door Martien Droog en Gerard Droog. Speerwerpen wordt er aangeboden door Daan Meyer. Vanaf komende winter zal ook het horizontaal springen aangeboden gaan worden als aparte specialisatie. Het ATR mag zich het grootste TR van Nederland noemen en atleten van het ATR zijn op jaarbasis goed voor vijftig medailles (nationaal). Tien van hen waren al internationaal actief.

Hoe krijgen zij het talent aan de oppervlakte bij deze kinderen en jongvolwassenen?

We spraken met Marjan Olyslager (horde) en Brendan Troost. Troost (sprint/horde) die naast zijn werk als trainer en coördinator bij het ATR ook hoofdtrainer bij AV Gouda is, geeft aan dat het toverwoord communicatie is. “We lullen ons helemaal suf”, zo vat hij het wat ondiplomatiek maar bondig samen. ‘Onze invalshoek is om het trainingsprogramma zo persoonlijk mogelijk te maken’ zegt Olyslager, die jaren als trainer verbonden was aan regiotrainingen van de Atletiekunie en vanaf het eerste uur aan het ATR verbonden is. ‘En praten is daarbij nu eenmaal essentieel’. Dat praten doen zij ook als trainers onderling intensief, want elke training kent wisselende samenstellingen wat betreft atleten en trainers. Als je als atleet in één week drie keer een sprinttraining volgt, kan het zomaar zijn dat je elke training een andere trainer ziet. En dat vraagt een goede onderlinge afstemming. ‘Meer trainers kijken met meer ogen’, aldus Olyslager. ‘Je vindt zo uit welke trainer de beste klik heeft met een atleet en bij welke trainer de atleet het meest tot zijn recht komt. Zo bepalen we bijvoorbeeld samen welke trainer met welke atleet het gesprek voert op de evaluatiemomenten.’

Coachen blijft een uitdaging

Het begeleiden van 60 atleten is een hele uitdaging. Soms vraagt een atleet veel aandacht door zijn of haar karakter, een blessure of een snelle ontwikkeling. Dat gaat niet altijd perfect, maar maatwerk leveren blijft ons doel. En dat is gelukt als je aan het eind van de training kunt zeggen: “Ik heb iedereen geboden wat voor hem of haar nodig was”. Dat kan ook betekenen dat je iemand voortijds laat stoppen omdat overbelasting dreigt, of dat je een goed gesprek hebt na afloop of iets anders inzet voor een atleet die meer nodig heeft.’

Het ATR hoeft zich geen zorgen te maken over de instroom van nieuw talent. Troost: ‘Er zijn meerdere routes. We nodigen gericht atleten uit, maar ook melden atleten zichzelf aan. Tijdens de proeftrainingen moeten we naast niveau en talent ook motivatie en leerbereidheid zien. Je mag lol hebben, dat is zeker belangrijk, maar we willen ook zien dat je als atleet luistert, tips toepast en goed kijkt hoe anderen het doen’.

Intrinsieke motivatie van jonge atleten

‘We zoeken de atleten die zeggen; ik wil wat bereiken, ik wil leren, ik kom niet voor niets. Het feit dat je hier komt zegt overigens al veel over de motivatie. Als je in Barendrecht op school zit en vervolgens met trein en metro naar Rotterdam komt, naar de baan loopt toe loopt, twee uur traint, dan weer naar huis gaat om je huiswerk te maken voor de volgende dag; dan ben je uit het goede hout gesneden. We willen opleiden voor de topatletiek, voor internationale toernooien, eventueel via Papendal. Niet iedereen die hier traint heeft die potentie, maar we streven er wel naar.’

Olyslager; ‘Talenten selecteren zichzelf uit, vaak al in het eerste half jaar. We houden goed de presentielijst bij en gaan in gesprek als er meerdere keren verzuimd wordt’.

Hoe haal je het talent in een jonge atleet naar boven?

‘Je kunt daar lang en kort over praten, maar het belangrijkste element is toch gewoon aan het werk gaan’, vindt Olyslager.‘Je kunt talentvolle genen hebben, een goed gevoel voor bewegen en snelle spieren, maar uiteindelijk moet je aan de slag. Dat geldt voor alle leeftijdscategorieën, ook voor de C-junioren. Die kun je niet keihard laten trainen, maar goed werken met het koppie erbij, is zeker mogelijk. Zo leggen we bijvoorbeeld op deze leeftijd al een basis voor krachttraining. We onderzoeken -zonder de zwaarte van de training zelf - naar bewegingsruimte die een atleet in het lichaam heeft om dit 1 of 2 jaar later verder op te pakken’.

‘We prikkelen ook vaak en vragen atleten bijvoorbeeld: volgend jaar kun je naar een Europees toernooi. Vind je jezelf kansrijk? Hoe gaan we je kansrijker maken? Atleten moeten leren om zo naar zichzelf te kijken. Vaak komt er op zo’n vraag niet meteen een zinnig antwoord. Een kind moet leren zichzelf als kanshebber te zien. Vaak is er wel ambitie aanwezig. Wij scheppen dan de kaders waarin ambitie kan groeien. Een informatieavond, een gesprek met een ervaringsdeskundige of een gesprek met de ouders erbij kunnen daarbij helpen.’

Troost:’ Soms werkt het ook andersom. Komt een atleet erachter; ik kan wel hard hollen, maar ik wil dit niet. Prima, maar dan nemen we afscheid van elkaar. We blijven een trainingscentrum waar prestatie voorop staat’.
 

Hoe leer je jonge atleten doseren en hoe leer je ze te werken aan hun talent?

Troost: ‘We werken met een leerlijn prestatiegedrag van NOC*NSF, maar ook hiervoor geldt dat maatwerk geboden is. Kinderen leren door, plat gezegd, “op hun bek gaan”. Je moet hier leren plannen en organiseren. We zien veel kinderen die dat nog onder de knie moeten krijgen. Kinderen die hun spullen vergeten of die zich vergeten in te schrijven voor belangrijke wedstrijden’.
Olyslager; ‘En reken maar dat ze in dat laatste geval ook op hun kop krijgen van de rest van de groep. Zo begon het NK junioren een keer al op vrijdag. Dan zijn er atleten die dat op het laatste moment ontdekken en helemaal niet kunnen op vrijdag. Dan ben je dus niet bij het belangrijkste toernooi van het jaar. Het ultieme leerproces!’

Atleten in bescherming nemen

‘Onze taak is het om ervoor te zorgen dat atleten niet te hard onderuit gaan. Dat ze niet te hard vallen, waardoor zij bijvoorbeeld blessures oplopen. Dat geldt in het bijzonder vol risicovolle periodes, zoals de maand november. Atleten hebben geen vakantie, het wordt weer donker en koud en het trainingsschema wordt geïntensiveerd. We houden ze dan extra in de gaten en halen ook weleens iets van de training af als we zien dat het niet goed gaat’.

En dan komt het toch weer op het communiceren aan. Olyslager: ‘We weten veel. We doen ons stinkende best om van alles op de hoogte te zijn. Begrijpen ook dat als je 14 bent het lastig is om zaken zelf aan te gevenaar geven ze ook mee dat er meer van hun wijze van communiceren wordt verwacht als ze 18 zijn’. 'Je staat altijd achter de atleet. Ook als het misgaat. Dan kijken we goed: ligt het aan ons, aan de atleet of komt het door iets anders? Atleten kunnen zo binnenschuiven bij onze twee fysiotherapeuten, waarvan er één ook eens in de maand bij een trainingsoverleg aanwezig is. Bijzonderheden worden vermeld in een medische app.’

Het werk gaat door in het weekend

Troost: ‘Ik heb 300 app-contacten. Dat zijn voornamelijk atleten en trainers van verenigingen. ‘s Morgens vroeg komen de eerste appjes binnen en dat houdt de hele dag niet op. Met sommige trainers hebben we bijna dagelijks contact zodat we echt maatwerk kunnen leveren’. ‘Mijn vriendin zegt: “Je bent gek, dat je zelfs op je vrije zaterdag alle apps beantwoord”. Maar het is onze kracht, we zijn altijd overal bij. Bij elke training, elke wedstrijd en we zijn altijd bereikbaar. Dat vraagt wat van je mens-zijn; van je trainer zijn. Het gaat om de atleet, niet om ons. Je moet je ego aan de kant zetten.

Olyslager: ‘En natuurlijk kan het beter. Maar het gaat om de tijd die je erin kunt steken. We zouden bijvoorbeeld ook met vragenlijsten moeten werken. Nog meer moeten kunnen monitoren, maar dat kost tijd die we dan niet in iets anders kunnen steken. Wij kiezen voor het coachen in de praktijk; voor corrigeren op het moment zelf. Voor het werken op het scherpst van de snede. En dat spelletje spelen we graag’.

Fotograaf: Coen Schilderman
Tekst: Cors van de Brink