Thijs Ros over het scouten van talenten

18 april 2018
Topatletiek Vorige

‘We kijken niet alleen naar de ranglijsten’

In een sport met veel disciplines is het een stevige uitdaging om jonge talenten te scouten en te begeleiden. Thijs Ros is een van de talentcoaches die deel uitmaken van de technische staf van de Atletiekunie. De oud-meerkamper richt zich vooral op de explosieve onderdelen van de atletiek (sprinten, springen en werpen) en vertelt in dit interview over hun aanpak.

Ros groeide op in Woerden, waar hij lid werd van AV Clytoneus. Als meerkamper kwam hij in 2001 tot een p.r. van 6643 punten. Hij studeerde aan de ALO in Den Haag. ‘Ik wist in groep 6 van de basisschool al dat ik gymleraar wilde worden, omdat ik lekker gymmen het leukste vond op school’, zegt hij.

Twaalf jaar werkte hij als vakdocent in het onderwijs. Tegelijkertijd was hij trainer bij zijn eigen vereniging. De Atletiekunie vroeg hem 2007 om regiotrainingen voor sprinters te verzorgen in Zoetermeer en Naaldwijk. Hij was onder meer coach van het Nederlands estafetteteam op de EYOF in 2011 en 2013 en begeleidde jonge sprinters in het daarop volgende jaar bij de WJK in Eugene. In diezelfde periode vroegen Vince de Lange en Bart Bennema hem als assistent voor de centrale trainingen van talentvolle jonge meerkampers op Papendal waardoor Ros in 2015 (Eskilstuna), 2016 (Bydgoszcz) en 2017 (Grosseto) als meerkampcoach aanwezig was bij de jeugdtournooien. Begin 2017 volgde een fulltime aanstelling als talentcoach. ‘Het werk in het onderwijs vond ik elke dag een feest. Maar werken op Papendal zie ik als een unieke mogelijkheid om me verder te ontwikkelen. Hier kun je training geven in een professionele omgeving’, zegt hij.

Wat zijn je opdrachten hier?

‘In eerste instantie heb ik mijn neus tegen het raam gedrukt bij de bondscoaches, om goed te zien hoe zij hier werken met de topatleten. Een tweede belangrijke opdracht is om in drie disciplines de kloof tussen het Nederlandse en mondiale niveau te dichten: polshoogspringen, speerwerpen en de 400 meter. De vraag is onder meer hoe we de kennis bij de trainers kunnen uitbreiden. We hebben onder meer een bijeenkomst georganiseerd met clubcoaches om hier per discipline plannen voor te ontwikkelen.’

‘De derde taak is het verzorgen van nationale trainingen voor de talenten. Voor de explosieve nummers doe ik dat samen met mijn collega’s Rogier Ummels en Robert-Jan Jansen. We zijn daarnaast betrokken bij de atleten die op Papendal trainen. Zelf geef ik bijvoorbeeld speerwerpertraining aan Pieter Braun. En als Ronald Vetter met zijn top-meerkampers op stage naar de VS gaat, neem ik de training voor de atleten die op Papendal blijven voor mijn rekening.’

Hoe selecteren jullie de talenten die voor de nationale trainingen worden uitgenodigd?

‘Voor de explosieve disciplines hebben we in het najaar testdagen georganiseerd. Daarvoor nodigen we atleten uit die ons in het zomerseizoen zijn opgevallen. Bij de jeugd gaat het niet alleen om hun prestaties, al kijken we natuurlijk wel naar de top van de ranglijsten. Maar we zien ook lichte sprietjes die fysiek nog wat minder ver zijn ontwikkeld dan hun leeftijdgenoten, maar wel heel makkelijk en goed kunnen sprinten of werpen en de juiste lichaamsbouw hebben. Die kunnen ook een eind komen.’ ‘We testen onder meer op snelheid, we hebben sprongtesten en een heel korte fietstest en we doen plyometrisch werk. Daarnaast hebben we gesprekken met de atleet en de trainer over hun trainingsprogramma en we gaan na of ze behoefte hebben aan advisering.’

‘Heel belangrijk is natuurlijk de vraag of ze “de juiste kop erop hebben staan”, zoals we dat wel noemen. De persoonlijkheid van het talent en de coachbaarheid zijn uiteraard erg belangrijk. Je hebt veel doorzettingsvermogen nodig om de top te bereiken en daarvoor is het wel een voorwaarde dat je het trainen écht leuk vindt. En ook dat je kunt omgaan met teleurstellingen. Het is een heel verschil of een jonge atleet bij een nieuwe, ongewone opdracht, zoals het kogelstoten met je “verkeerde” hand, zegt: “dat kan ik toch niet”, of gretigheid laat zien om te leren. Die mentale eigenschappen zouden we eigenlijk ook willen testen, maar daarvoor hebben we nog geen test die voldoende valide en makkelijk werkbaar is. NOC*NSF is daar wel mee bezig.’

Ook de ouders worden meegenomen in dit proces. ‘We organiseren bijvoorbeeld bijeenkomsten voor ouders van atleten die naar de jeugdtoernooien willen. Dan vertellen we onder meer over de limieten, over de voorbereiding op het toernooi en we geven informatie over doping’, aldus Ros.

Bij verenigingen en trainers leeft nogal eens het idee dat “Papendal” atleten naar zich toe wil trekken. Herken je dat?

‘Volgens mij is daar geen sprake van. We bespreken alles met de eigen trainers van de talenten. Een deel van hen heeft het uitstekend voor elkaar: voldoende tijd en kennis bij verenigingen die veel faciliteiten kunnen bieden. Atleten die hier voor de nationale trainingen komen kunnen bovendien aanvullend gebruik maken van de sportmedische hier als ze last hebben van blessures.’

‘Bovendien kom je niet zomaar op Papendal terecht. Je moet dan toegelaten worden tot het CTO, het Centrum voor Topsport en Onderwijs en daar zit het al bomvol. Maar als je echt talent hebt, is dit natuurlijk wel de plaats waar je alle begeleiding kunt krijgen die je nodig hebt om je verder te ontwikkelen.’

Tekst: Cors van den Brink
Foto: Coen Schilderman (WJK Bydgoszcz, 2016)